Skip to content

Problemen in de sensorische informatie verwerking

Een kind met sensorische informatieverwerkingsproblemen heeft een minder georganiseerd brein. Omdat de samenhang tussen hersenen en gedrag heel sterk is, zal zijn gedrag ook minder georganiseerd zijn. Dat kan zich op een heleboel verschillende manieren uiten.

Dat is wat herkenning van sensorische informatieverwerkingsproblematiek lastig maakt: de symptomen zijn bij ieder kind verschillend. Er zijn immers héél veel zintuigen en die werken ook nog eens bij iedereen anders.

Voorbeelden

Het is bijna niet voor te stellen hoe zeer onze zintuigen ons van dienst zijn. Zo kunnen ze ervoor zorgen dat we wakker blijven (harde muziek aan in de auto) of juist rustig worden (met geurkaars aan in bad). En zo zijn er nog veel meer dingen waarbij onze zintuigen bepalen hoe we ons voelen en hoe we ons gedragen.

Zintuigen die niet goed samenwerken kunnen daarom dus ook op heel veel momenten, op heel veel manieren een rol spelen bij het gedrag van een kind. Bovendien kan het voorkomen in combinatie met andere stoornissen, zoals ADHD.

Kinderen met sensorische informatieverwerkingsproblemen, willen graag wel soepel reageren op de buitenwereld, maar ze kunnen het niet. Het gevolg is vaak onbegrip vanuit de omgeving. Die snapt immers niet waarom het kind zo snel boos wordt, of niet goed luistert. Daarom is het belangrijk sensorische informatieverwerkingsproblemen te (h)erkennen: zodat er hulp en begrip komt voor de problemen die het kind ondervindt.

Problemen met aanraking

Het kind raakt van streek tijdens verzorging (het begint bijvoorbeeld te huilen als het haar wordt gedaan, gezicht wordt gewassen of de nagels worden geknipt). Het kind vermijdt lopen op blote voeten, vooral in het zand. Het kind vertoont ongebruikelijke behoefte om aan bepaalde oppervlakken of structuren te zitten (bijvoorbeeld voortdurend bepaald speelgoed aanraken). Het kind krimpt ineen als hij op een vriendelijke manier word aangeraakt.

Problemen met beweging en balans

Het kind wordt angstig als zijn voeten van de grond komen. Het kind is bang voor hoogtes en bang om te vallen. Het kind heeft een hekel aan liften of roltrappen. Het kind heeft een hekel aan activiteiten waarbij het hoofd ondersteboven hangt. Het kind geniet van draaimolens en snel rijden. Het kind gooit zichzelf voor de grap op de grond, tegen de muur of tegen anderen aan.

Problemen met visuele prikkels

Het kind is snel afgeleid door wat hij ziet. Het kind knippert veel met zijn ogen bij fel licht. Het kind heeft problemen met oogcontact maken.

Problemen met auditieve prikkels

Het kind vertoont een negatieve reactie (bijvoorbeeld handen voor zijn oren houden) op onverwachte, harde geluiden. Het kind is snel afgeleid door geluiden in de omgeving (het kan bijvoorbeeld niet werken met achtergrondgeluiden). Het kind reageert niet wanneer zijn naam wordt geroepen, ondanks goed gehoor. Het kind geniet van vreemde geluiden of maakt graag harde geluiden.

Problemen met smaak en geur

Het kind eet alleen voedsel met bepaalde smaken, of beperkt zich tot voedsel met bepaalde smaken, of beperkt zich tot voedsel met een bepaalde structuur of temperatuur. Het kind toont een sterke voorkeur voor bepaalde geuren en smaken. Het kind kauwt of likt aan niet-eetbare voorwerpen.

Scroll To Top